Geschreven door Fu Zandy.

Wat is dat voor rotgeluid? Had ik een wekker gezet voor ik ging slapen? Och, laat me nou. Ik wil niet opstaan. Godver, wees nou stil. Ik sla mijn hand wild door de lucht. Mis. Sssst! Smoelen! Mijn tweede poging is raak. Geen geblèr meer. Het licht verblindt me al voor ik mijn ogen überhaupt heb geopend. Met tegenzin trek ik de dekens van mijn gezicht af en wrijf ik voorzichtig de slaap weg. Het zonlicht verbrandt me praktisch. Ik krijg er spontaan derdegraadsbrandwonden van. Oké, ik geef toe; dat is iets overdreven, maar zó voel ik me nu wel. Weer gesloopt door de man met de hamer. Verliezen dit.

Waar ben ik? Hoe laat is het? Ik snap er niks van. Hoe komen die posters van Pulp Fiction en Scarface op de muur? Wacht. Wacht even, dit is niet mijn hotelkamerbed. Wow! Wiens bed is dit? Holy fuck, wie is deze knappe vriend naast me? “Oh nee!” kreun ik iets te hard. Mijn Adonis zucht, maar ontwaakt niet. Ik durf niet naar hem te kijken. Plotseling draait hij zich om in zijn slaap en zie ik naast een gespierde torso en volle bos donkerbruine krullen meer uiterlijke kenmerken van de schone slaper naast me. Hij lijkt wel gehouwen uit marmer met die klassieke jukbeenderen waar modellen een moord voor zouden plegen. Gehouwen is trouwens best een vreemd woord; wie zegt dat tegenwoordig nog? Voor ik verder kan filosoferen over nietszeggende, samengevoegde klanken raak ik afgeleid door het gezicht van deze naamloze demigod. Terwijl zijn borstkast met iedere ademhaling zachtjes op en neer gaat, brengen zijn roze lippen en zoete lichaamsgeur me meer in vervoering. Meer in vervoering, of moet ik zeggen wéér in vervoering? Ik lig tenslotte al naast hem. Hij ruikt naar een mix van zweet, alcohol, parfum en feromonen; een prettige balans tussen ranzig en geil. Hoewel hij de eigenaar is van een klein buikje en een spitse neus – die niet helemaal past bij de rest van zijn gezicht – kan ik best trots op mezelf zijn. Een prima vangst.

Hoe hebben wij elkaar ontmoet? Zijn naam ligt op het puntje van mijn tong. Terwijl mijn ogen wennen aan het felle daglicht, kijk ik om me heen. Kledingstukken en accessoires markeren de route van de deur naar het bed: direct naast de deur, netjes aan de kapstok, hangt mijn witte cocktailjurk met een laag uitgesneden rug en hartvormige halslijn. Op de grond ligt een van mijn zwart met donkerroze Nike Air Max’jes bovenop een donkergrijze denimbroek, op de bank zie ik mijn met zweet doordrenkte bh en andere schoen liggen. De witte polkadot stippen maken deze sneakers zo geschikt om te dragen onder fleurige zomerjurkjes. Op de tafel liggen een vieze marineblauwe boxer, wat Staropramen bierflesjes – sommige leeg, sommige halfvol – en een hoop sieraden. Gelukkig! Ik ben mijn lievelingsoorbellen, parels, die mamá me voor kerstmis heeft gegeven en nieuwe armbanden versierd met bladgoud – die ik voor mijn verjaardag kreeg van mijn jaarclub – niet kwijtgeraakt. In de hoek zie ik een goedgevulde drankkast staan – op de stoel daarvoor ligt een vaalblauw T-shirt van Urban Outfitters, de kraag is versierd door afdrukken van mijn donkerrode Yves Saint Laurent-lippenstift. Voorzichtig klim ik uit het queensidebed en langzaam raap ik mijn spullen bij elkaar. Lingerie? Check. Sleutels? Check. Bankpas, identiteitskaart, lippenstift. Heb ik alles? “Fuck, waar is mijn iPhone?” grom ik door mijn tanden heen. “Bar”, hoor ik een diepe mannenstem zeggen. “You’re welcome, dear”, vervolgt hij al grinnikend. Ik draai me om met de intentie om een evenzo briljantbrutale opmerking te maken als ik die welbekende melodie van mambo number five hoor. Ik sprint naar mijn telefoon; “Goedemo-”

Aan de andere kant van de telefoon hoor ik opgewonden geluiden. “Stomme trut, waar de fuck ben je? We staan al op het vliegveld!” De stem van mijn beste vriendinnetje en tevens bestuursgenoot is een combinatie van woede, opluchting, blijdschap en irritatie. “Leef je nog? Halloooooo. Reageer eens”, klinkt er weer door de telefoon. “Amper.” Mijn stem klinkt rauw en rokerig. “Nou, én terecht! Dat kon ook niet anders na de hoeveelheid tequila die jij achterover hebt geslagen gisteravond.” Tequila? Ah, dat verklaart het branderige gevoel. “Was je nog van plan om naar het vliegveld te komen, of blijf je nog een weekje in Praag?” grapt een andere bestuursgenoot. Eén voor één smijten mijn bestuursgenoten sarcastische opmerkingen mijn kant op.

“Goed bezig, mevrouw de praeses.” “Je ouders zullen vast trots zijn!” “Een instagram-waardige avond chickie!” “Niks mis met regelen hoor, maar nu mag je wel weer terugkomen!” “We drinken op jouw verhaal! DETAILS!” “Inderdaad! Hoe was je prooi? Goede seks?” “Ja, vertel. Hoe héét ‘ie?” “Wanneer gaan jullie trouwen?” “Heb je al gezien hoeveel likes-.” “Hebben jullie nummers uitgewisseld?” “Ssshht!” “Even serieus; we maakten ons zoveel zorgen droeftoeter!” “Nee, grapje, blijf maar lekker weg!”. Terwijl mijn vijf bestuursgenoten overduidelijk dubbel liggen om mijn uiterst tactisch geplande actie – op de laatste avond van de tien dagen durende studiereis langs Hongarije, Slowakije en Tsjechië stomdronken met een wildvreemde naar huis te gaan en de volgende ochtend veels te laat uit een winterslaap te ontwaken –werp ik een blik op de klok en realiseer me dat ik een kwartier geleden al op Václav Havel International Airport had moeten staan. “Soof, calm your tits. Ben onderweg. Joe!”

Terwijl hun geschaterlach door de knusse studio galmt, hang ik op. “Yo, ik moet mijn vliegtuig ha-”, stamel ik richting de gozer met wie ik gisteravond horizontaal de salsa, tango én lambada gedanst heb tot ik me realiseer dat die arme gast natuurlijk geen Nederlands spreekt. “I mean, I have to catch my plane!” Om bij de deur te komen, moet ik weer half langs het bed lopen – de ruimte is nog geen vijf meter lang en vier meter breed. In een spontane bui besluit ik over het bed te leunen zodat ik met mijn lichaam boven hem hang. Mijn haar valt om mijn gezicht heen. Ik zet mijn zwoelste, meest sexy en mysterieuze blik op en geef hem een afscheidstongzoen. Ik besluit hem iets langer in de ogen aan te blijven kijken, doe een poging zo verleidelijk mogelijk te knipogen en in de meest mierzoete stem die ik op kan zetten af te sluiten met: “Let’s do this again sometime, munckin!” Met drie passen ben ik bij de voordeur.

“Het was gezellig, deerne. Tot in Leiden!” Ik sta verstijfd in de deuropening. Terwijl ik in een ogenblik mijn spiegelbeeld bewonder – uitgelopen gitzwarte eyeliner en donkerrode lippenstift, wilde kop met haren en een dieppaarse zuigzoen in mijn nek– valt het kwartje. Ik weet wie deze dude is. “Oli. Kort voor Olivier zeker?” “Klopt. Net zoals MC niet de afkorting voor master of ceremonies of mic controller is.” “Helaas geen muziekcarrière voor mij, nee. Marie-Catharine. Bijna iedereen noemt me MC, of Kaatje.” “Nou ik-Kaatje-niet”, lacht Oli me zelfvertrouwd toe. “Wauw” grijns ik terug, “die was zó pijnlijk dat het bíjná grappig is. Bijna.” Een aantal jaar geleden kruisten onze paden evenzo: toen op een gigantisch huisfeest in Leiden, nu in een immense nachtclub in Praag.

Genoeg idioterie, op naar het vliegveld. In de taxi speelt de voorgaande avond weer af in mijn hoofd. Ik herinner me flarden. Losse flodders. Mooie momenten. Gênante momenten. Een gevoel van ontlading toen ik op Blackboard een dikke zeven zag staan en wist: tentamen ingekopt. De emotionele speech die ik gister tijdens het eten gaf; om mijn bestuursgenoten te danken voor een mooi bestuursjaar en om mijn lieve reiscommissie te danken voor hun inzet en toewijding. Beelden van Sofie en Diederik die me trakteerden op strawberry mojito’s en raspberry daiquiri’s om te vieren dat ik mijn bachelor binnen heb. De vele rondjes die ik gaf. Aan bekenden, aan doodvreemden; iedereen mocht meedoen. Ik bekijk alle meldingen op mijn iPhone. Vijftien gemiste oproepen. Acht sms’jes. Vierhonderd achtendertig Whatsapp-berichten. Rustig scroll ik door mijn Instragram feed: de video van Juliette en ik die tequila bodyshots doen bij de barman heeft honderdvijftien likes binnengeharkt. Op Facebook staat een charmante foto van gisternacht in die roemruchtige Praagse club uitgestrekt op vijf verdiepingen waar je door de vloeren en de plafonds heen kan kijken met op iedere vloer een ander thema en muziekgenre. Voorzin van de titel ‘Saai avondje op de bank with the bae’ gevolgd door een hartje. Oli heeft in zijn ene hand een fles champagne waar drank uit morst op de vloer, de ander ligt losjes op mijn heup. Hij bijt op zijn onderlip, ik blaas de camera al knipogend een kus toe. Hashtagalles voor de likes. De foto is ruim tweehonderdvijftig keer geliket. Waar is mijn hark? Zoveel likes op die berg, het lijkt net de Mount Everest. Deze tien dagen reizen door Budapest, Bratislava en Praag waren goed voor talloze heerlijke Instagram etensfoto’s, jaloersmakende Facebook statusupdates, hilarische Snapchat video’s en genoeg beeldmateriaal om een aftermovie van tien uur te maken. Girls just wanna have fun. Zachtjes neurie ik de melodie van het lied van Cyndi Lauper. De taxichauffeur kijkt me aan en begint vervolgens zachtjes mee te neuriën. Aangekomen op het vliegveld ren ik naar Soof toe. Op de valreep kan ik nog inchecken en boarden om veilig terug te keren naar ons koude kikkerlandje.

 

123547-Were-A-Brainwashed-GenerationTijdens de vlucht terug dwaalt dezelfde gedachte door mijn hoofd. “Eigenlijk is het toch bizar voor woorden: alles gaat om likeability. Om een ander haast met dwang jouw sterke verhalen door de strot te douwen. Alles wordt verbloemd. Als de buurman straks vraagt hoe de studiereis was, hoor je niet eerlijk te zeggen dat je op de heenweg twee uur vertraging had. Op de tweede dag voedselvergiftiging kreeg. Door duizend muggen gebeten werd. Vanaf dag vier heimwee had. Dat zestig procent van de ervaring medium kut was. Eerlijkheid? That’s frowned upon als het gaat om minder positieve berichten. Fuck that. Waarom kunnen we negatieve ervaringen alleen aan wanneer het ten koste gaat van iemand? De twee aanwezige zesdejaars die tijdens de karaoke van het podium vielen – waren niet zielig, maar grappig. Om mijn huisgenootje Sandra, een onschuldige eerstejaars, die door te veel wijn al voor het dessert over de tafel heen moest kotsen, was niemand écht bezorgd. Leedvermaak vóór alles.”

“Fuck it, wat boeit het nou: negatief of positief. Laten we met zijn allen eerlijk zijn. ‘Hakuna fucking matata. Het betekent: geen zorgen, zorg maar dat je geniet’. Daar zijn je tiener- en twintigerjaren voor bedoeld: maximaal leven, puur genieten en jezelf ontdekken. Scratch that. Daar is het leven voor bedoeld: je eigen grenzen opzoeken, gelukkig zijn, de wereld ontdekken.” Ik denk aan de wijze woorden die mijn moeder me vertelde toen ik klein was: “Waardeer alles en heb nergens spijt van. Zie negatieve ervaringen als wijze les en koester de positieve ervaringen. Zonder de regen waardeer je het schijnen van de zon niet. Zonder de dalen, lijken de pieken niet hoog. Het leven komt in vlagen van ups en vlagen van downs. Waarom zie je dat niet terug op onze sociale media? Het leven gaat niet om likes binnenhalen, waarom spenderen we er online dan zoveel aandacht aan?” Ik schud bijna van woede tijdens het opschrijven van deze passage in mijn reisjournaal. Als we geland zijn op Schiphol verdwijnt mijn woede als sneeuw voor de zon wanneer ik het aantal likes op de foto zie. Een verslaggever van ATV5 wil me interviewen. Mijn foto komt op de voorpagina van het Leidsch Dagblad te staan. Misschien is die likeability tendens zo erg nog niet. Geef nou toe: had iemand dit verhaal afgelezen als ik in het begin eerlijk had verteld dat mijn Adonis het gezicht van een trol had met daaronder een groteske bierbuik en ik bijna stikte in zijn walgelijke walm van bier en rook? Als ik erbij vermeld had dat hij over mijn Nike Air Max’jes had gekotst en zijn mond had afgeveegd aan mijn witte jurk? Dat ik voor mijn laatste bachelor tentamen met moeite een vijfeneenhalf heb gehaald? Nee, dan had niemand verder gelezen. Ach, weten zij veel. Die like scoor ik toch wel.