Geschreven door Pavlína Riedlová en Hedvika Schwarzová.

Elke beginnende schrijver kent de situatie waarin hij zijn schrift naar een uitgever stuurt en zonder antwoord blijft. Als het antwoord na een paar weken komt, dan is dit negatief en de kans om de Nobelprijs te winnen vermindert aanzienlijk. Een geroutineerde debuterende schrijver verloor zojuist zijn tijd niet door achter elkaar zijn manuscript naar zes of zeven uitgevers te sturen maar stuurt deze tegelijkertijd in de hoop dat tenminste één van de uitgevers besloot een schrijver van hem te maken. Met een soortgelijk avontuur was Willem Frederik Hermans bezig toen hij een uitgever voor zijn tweede boek De tranen der acacia’s zocht. Eindelijk kreeg hij gehoor van Geert van Oorschot. Die besloot, nadat andere schrijvers hem hadden overtuigd, het risico te nemen en het boek van het toekomstige lid van de Grote Drie uit te geven. Het was niet zijn enige contact met dit drietal. Hij gaf ook de boeken Op weg naar einde en Nader Tot U van Gerard Reve uit en later weigerde hij het boek Archibald Strohalm van Mulisch, omdat dit volgens hem in sommige passages te langdradig was.

Geert van Oorschot was in deze gevallen de allemachtige uitgever die over leven en dood van mogelijke bestsellers besloot. Maar hij kende ook de andere positie, namelijk die van de peinzende auteur die gelezen wil worden, maar de gebreken van zijn werk tegelijkertijd goed kent. De liefde voor schrijven verscheen bij Van Oorschot al voordat hij een van de bekendste Nederlandse uitgevers werd. Vanaf zijn jeugd wilde hij een dichter worden en hij publiceerde zijn gedichten in het tijdschrift van Jeugdbond voor Onthouding. Zijn sociaal georiënteerde versjes kregen in de bond toen minder aandacht dan zijn vermogen het tijdschrift aan mensen verkopen. En zo was het zijn hele leven. Geert van Oorschot als schrijver was ondanks zijn twee bekendste verfilmde boeken Twee vorstinnen en een vorst en Mijn tante Coleta altijd in de schaduw van Geert van Oorschot als uitgever.

De familie Van Oorschot was altijd met literatuur bezig. Zijn ouders speelden in een amateurtheater en boeken behoorden tot het dagelijkse familieleven. Na zijn eerste werk als kantoorbediende keerde Van Oorschot zich terug naar literatuur die hij aan zijn verkooptalent verbond. Hij ging met zijn fiets en twee koffers vol boeken door het platteland reizen. Hij had enorm succes omdat hij niet geloofde dat sommige mensen alleen bepaalde boeken zouden kopen en andersom. Bovendien kon hij boeken aan mensen verkopen die niet naar een boekhandel durfden te gaan.

geert-van-oorschot

Geert van Oorschot

Zijn succes bleef niet onopgemerkt en al snel begon hij met de uitgever Stols samenwerken. Hij ging boeken ook naar de boekhandelaars verkopen. En leerde bovendien hoe boeken en vooral mooie boeken gemaakt worden. Hoewel Van Oorschot zijn best deed, had Stols uiteindelijk toch financiële problemen en moest hij zijn afspraak met Van Oorschot eindigen. Toch hielp hij hem door met Querido over Van Oorschot te praten en deze bood werk aan Van Oorschot.

De uitgeverij Querido was groter dan die van Stols, dus Van Oorschot had een unieke mogelijkheid om over het uitgeverswerk en de economie van een groot uitgever te leren. Toch had hij soms spijt, dat hij niet meer de mooie boeken van Stols mocht verkopen. Verder had hij het bij Querido goed. In plaats van met de trein reisde hij met de auto en ook zag hij netter uit omdat hij van zijn werkgever handschoenen en een hoed moest dragen waaraan hij niet gewend was. Het gebeurde dus vaak dat zijn handschoenen een paar dagen later dan van Van Oorschot zelf in een pakketje terugkeerden naar de uitgeverij.

Tijdens de Tweede wereldoorlog leidde Van Oorschot als enige niet-joodse medewerker de uitgeverij Querido. Al tijdens de oorlog besloot hij zijn eigen uitgeverij na het eind van de oorlog beginnen. Het begin was moeilijk maar langzamerhand werd hij bekender en zijn boeken hadden succes. Hij gaf, zoals hij zelf zei, alleen boeken die hij zelf goed vond uit. Tot deze behoorden vooral de auteurs die in de traan van het tijdschrift Forum schreven.

Zijn reputatie heeft hij dankzij zijn vermogen om grote projecten te beginnen en dan af te maken gekregen. Hij gaf bijvoorbeeld verzameld werk van Du Perron en Multatuli uit. Hij maakte vaak niet alleen een gewone uitgave, maar ook een speciale duurdere uitgave voor de liefhebbers. Hij sloeg erin de luxe-editie van de Multatuli reeks zowel aan het Belgische als het Nederlandse koninklijke huis te verkopen. Zijn meest bekende gigantische project was de reeks ‘Russische bibliotheek’, waarbinnen meer dan dertig vertalingen uit de Russische literatuur verschenen. Het meerderdeel ervan verscheen voor de eerste keer in het Nederlands. Drie van zijn vertalers kregen Martinus Nijhoffprijs voor hun werk.

Andere projecten moest Van Oorschot uit de grond stampen. Tot deze behoorde vooral het tijdschrift Tirade. Van Oorschot was altijd politiek geëngageerd en vond het heel geschikt een tijdschriftje bij de hand te hebben voor het geval dat hij zijn politieke opinie wilde uitdrukken. Zijn eerste poging heette De Baanbreker en na iets meer dan een jaar werd dit gestopt, omdat het economische resultaat de eisen van Van Oorschot niet beantwoorde. Het tijdschrift van Gomperts Libertinage had bij hem een langere uitgeefgeschiedenis. Dit publiceerde hij namelijk 6 jaar lang. Na een korte periode van het politiek gerichte tijdschrift kwam eindelijk succes: een literair tijdschrift dat Marginaal zou heten. Van Oorschot was ontevreden met deze naam en later was dit in Tirade veranderd. In de Tirade kwamen vaak veranderingen voor, met name in de redactie, maar toch is dit tijdschrift tot nu toe door de uitgeverij uitgegeven. De reisverhalen van Van het Reve zorgden voor hoge oplagecijfers. In het tijdschrift werden ook verhalen van Wolkers gepubliceerd. Het aanbod voor Wolkers voor uitgave van een bundel kwam van Van Oorschot te laat. Jeroen Brouwers kreeg daarentegen van Van Oorschot geen aanbod om zijn boek uit te geven, hoewel hij in de Tirade publiceerde en tot de goede vrienden van Van Oorschot behoorde. Van Oorschot wilde hem een keer een briefje uit Frankrijk sturen maar had niet genoeg tijd om naar de post te gaan, dus hij vroeg een voorbijganger om dit voor hem doen. Deze man was niet zeker of de slordige envelop bezorgd kon worden en daarom besloot hij deze in een andere envelop geven. Daarbij hij heeft geschreven dat hij die brief van een “dirty old man” had gekregen.

Het professionele leven van de uitgever Oorschot kende weinig fatale mislukkingen. Hij kon van niets een uitgeverij opbouwen die niet alleen contemporaine werken van schrijvers uitgaf, maar ook de schriften van tijdloze waarde. De persoonlijkheid van de eigenaar weerspiegelde zich in het fonds van de uitgeverij. De levensfilosofie weergeeft het uitgeven van het verzameld werk van Multatuli. Het werk van Du Perron representeerde de poëticale opvattingen van Van Oorschot zelf. Van Oorschot als dichter laat zich bij uitgeven van de poëzie van Vasalis, Herzberg, Kopland en vele anderen zien. Hoewel hij zijn eigen versjes weinig publiceerde en verschillende keren in het leven besloot niet meer schrijven, kon hij toch zonder poëzie niet leven en niet sterven. Tegen het einde van zijn leven besloot hij zijn bibliotheek aan universiteiten ter beschikking te stellen, maar de poëzie bleef bij hem tot zijn dood. Toen hij aan het eind van zijn leven besloot zijn bibliotheek aan de universiteiten ter beschikking stellen, het deel met poëzie bleef bij hem tot zijn dood.