Geschreven door Julia de Haas.

Mensen kijken is meer dan alleen tijdverdrijf, het is een hobby. Het is een reden om te vroeg te komen op een afspraak, om net de trein te missen zodat je op de volgende moet wachten en een goed excuus om de hele middag door te brengen op een terrasje met een wit wijntje in je hand. Iedereen die voorbij komt heeft een verhaal dat het waard is om verzonnen te worden. Die man van middelbare leeftijd die in z’n joggingbroek achter een chihuahua aansjokt, wilde eigenlijk een herdershond. Of een andere stoere hond die hij kon uitlaten als excuus om even aan zijn hysterische gezin te ontsnappen. Zijn vrouw had er eerst niets van willen horen, maar hij had z’n dochter goed voor zijn karretje weten te spannen. Tenminste, dat dacht hij. Zodra ze de dierenwinkel waren binnen gegaan waren beide vrouwen verliefd geworden op een beest dat iets weghad van een kruising tussen een eekhoorn en een rioolrat. “Ah pap, kijk hoe schattig, hij heeft echt poppenoogjes, wat een doetje!” Heimelijk keek hij naar de labrador puppy’s in het hok naast het gedrocht. Ze keken hem spottend aan en leken met hun blik te vragen of de twee vrouwen echt zo gek waren als ze eruit zagen. Zijn vrouw bevestigde dat met de woorden: “Kom Fred we nemen deze, ik hou niet zo van honden maar deze is te cute voor woorden.” Cute, wat een walgelijk woord om te horen uit de mond van een vrouw die over tien jaar met pensioen gaat. Er was geen ontkomen aan, z’n nieuwe huisgenoot werd er één die zelfs als volgroeide rat niet zelfstandig op de bank zou kunnen springen. Om de vernedering van het uitlaten compleet te maken hadden de vrouwen gezamenlijk besloten de hond Chanel te noemen. Fred’s walk of shame zag er niet uit alsof hij het naar zijn zin had. Zijn gezicht vertelde me dat hij niet eens seks had gehad gisteren en dat de kans dat het vanavond ging gebeuren ook niet erg groot was.

Fred is niet de enige die op zondagochtend door het park slentert. Terwijl ik op zo’n parkbankje met afgebladderde mosgroene verf zit en probeer van de zon te genieten terwijl ik de stank van de overvolle prullenbak pal naast mij negeer, komt er een hele stoet aan verhalen voorbij lopen. Een tiener meisje zonder jas, met uitgelopen make-up. Ze heeft ongetwijfeld ruzie gehad met haar ouders toen ze vannacht om vijf uur thuiskwam en de boel onderkotste. Haar vader schreeuwde, zij schreeuwde en haar moeder was teleurgesteld. Wat een cliché, maar toch smeet ze de deur achter zich dicht, zonder na te denken over hoe koud het kan zijn op een zondag morgen in maart. Rillend telt ze de muntjes die ze een voor een uit haar broekzak vist. Zou ze koffie en een croissant halen? Of toch een treinkaartje naar oma, die heeft net zo’n hekel aan mama als zij.

Er komt een groep hardlopers voorbij. Hardlopende mensen verdienen altijd respect, want ze doen het. Of het nou super afgetrainde marathonlopers zijn of sneue joggers die net beginnen en na elke paar honderd meter een adempauze moeten nemen, ze doen het. Ze rollen uit bed en hijsen zichzelf in een strak, niets verhullend broekje. Ze eten een banaan, strikken de veters van hun overpriced hardloopschoenen en gaan de deur uit. Wat nu voorbij jogt is niet bepaald een feest voor het oog. De groep wordt geleid door een vrouw die te veel steroïden slikt of een man die in het weekend een alter ego heeft genaamd Kittycat, het is moeilijk te zien welke van de twee het is. De spierbundel wordt gevolgd door een groep mensen waarvan de gemiddelde leeftijd zo rond de 45 ligt. De meeste kampen met een overgewicht van een kilootje of 15 en stuk voor stuk genereren ze een waterval aan zweet. Een paar meter verderop beslist Rambo dat het tijd is voor een pauze. “Hoe ver moeten we nog?” De vraag wordt gesteld door een vrouw die een kleur heeft waar een brandweerauto jaloers op zou zijn. Het verbaast me dat er niemand van zijn stokje gaat, misschien vind ik het zelfs wel een beetje jammer. Wanneer de ijzeren reus het vertrek aankondigt volgt de rest van de roedel toch braaf. Ze hobbelen verder, op weg naar een bikini-klaar lichaam.  Terwijl ik een slok van mijn cola neem en een hap romige Milka chocolade doorslik denk ik terug aan vorige week. Toen vroeg een dame op leeftijd met een vriendelijke glimlach hoeveel weken ik nog moest. Ik kijk omlaag naar mijn buik die zwanger is van al het eten dat ik in mijn mond stop en neem me voor om volgende week mijn hardloopschoenen maar weer eens uit de kast te halen. Het park is klein en de groep komt nog twee keer voorbij gehobbeld, maar de rooie bezwete gezichten zijn niet langer iets om grappen over te maken. De vrouw die wilde weten hoe lang haar marteling nog zou duren, glimt van trots dat ze nog niet dood is neergevallen en ik voel niets dan respect, oké en misschien een klein beetje jaloezie.

Waar ik dan weer weinig respect voor over heb is het meisje dat net tegenover me is neergestreken op een zorgvuldig uitgezochte parka, zo eentje die mooi staat op instagram foto’s maar ook weer niet te vrolijk overkomt. Want echt leuk en hip is niet cool, je moet vooral niet te veel lachen. Het woord cool is in haar ogen vast ook al lang niet meer acceptabel. Terwijl ze ontbijt met een zwarte koffie zonder enige vorm van vaste voeding erbij bestudeer ik haar outfit. Aan haar voeten draagt ze een soort aliën-sandalen. Ze zijn zilver en hebben een plateauzool waardoor zelfs een kabouter de piek op de kerstboom zou kunnen zetten. Ik probeer niet te overduidelijk naar haar te staren want ze ziet eruit alsof ze helemaal leip zou worden als iemand haar recht in de ogen aankijkt. Het grootste deel van haar lichaam gaat gehuld in een psychedelisch gekleurd gewaad waar nog net niet met koeienletters op gedrukt staat: ”HÉ JIJ DAAR! KIJK MIJ EENS EVEN LEKKER APART ZIJN!” Misschien is dit meisje wel prachtig zonder dik aangezette wenkbrauwen, groene lippenstift en haar dat ergens halverwege een kleur aanneemt die niet anders beschreven kan worden dan zeekots. Misschien is ze stiekem wel prachtig en heel misschien is ze zelfs wel aardig. Terwijl ik trots op mezelf zit te zijn omdat ik haar niet meteen heb afgeschoten als ergste persoon die rondloopt in ons melkwegstelsel haalt ze haar mobieltje tevoorschijn. “He meid, ben jij ook zo dood na gisteren? Ik had die laatste pil echt niet moeten slikken maar het was zeker een zieke avond.” Ik heb geen idee wat er wordt geantwoord maar mijn star trek vriendin is het er helemaal mee eens. Het zinnetje: meid, je hebt helemaal gelijk, komt meerder keren voorbij. Maar na een paar minuten heeft ze genoeg geluisterd, het is weer tijd om even over haar prestaties van de vorige avond te praten. “Zag je wie er tegen me aan het praten was gisteren? Die gast schrijft een column in één van die literaire tijdschriften, ik kan even niet op z’n naam komen.” Een niet zo geslaagde poging tot name dropping, beetje jammer. “Vorige week toen ik ging voordragen uit m’n manuscript was ie er dus ook al.” Hè bah, ze is een wannabe schrijfster. Haar hoofdpersonen zijn vast allemaal geïnspireerd op een super tof meisje dat op zondagochtend in het park op een parka koffie drinkt en haar ongelofelijk toffe leven deelt met ons minder bedeelden zodat wij de zin van het leven ook kunnen ontdekken. De monoloog over de telefoon gaat verder maar ik ben alweer gefocust op een ander personage.

Aan de andere kant van de vijver zit een bejaarde man vanaf een al net zo bejaard bankje de eenden te voeren. De eenden cirkelen om hem heen als 14-jarigen om Justin Bieber, ze kennen geen genade. De man, ik noem hem Johan, het is een echte Johan, heeft een zak met brood bij zich ter grootte van het opgeblazen ego van mevrouw Battlestar Galactica maar besluit om de stukjes één voor één uit te delen aan de hongerige kindjes. Het is alsof hij heeft bedacht dat hij de rest van zijn dag hier gaat doorbrengen. Die gedachte maakt me verdrietig. Johan ziet er lief uit, zijn gezicht wordt getekend door diepe lijnen, maar het siert hem, het lijken wel lach hobbels in plaats van rimpels. Hij draagt een gebreid vest en zijn schoenen zien eruit alsof het stiekem pantoffels zijn. Johan heeft blijkbaar geen reden om naar huis te gaan en toch kan ik me niet voorstellen dat hij nooit getrouwd is geweest. Hij is het soort man dat in echte liefde gelooft. Hij wil aanbellen maar realiseert zich dat hij geen bloemen heeft meegenomen en plukt snel een bos tulpen uit de tuin van je buurvrouw terwijl je naar hem gluurt vanachter de gordijnen. Hij ziet met één blik aan je dat je verdrietig bent maar er niet over wilt praten, en fietst zonder iets te vragen naar de supermarkt voor een tas vol troostvoer. Hij is die man waarvan je na vijf minuten al besluit dat jullie samen oud gaan worden, samen kinderen gaan krijgen en samen mee gaat dansen in de regen. Hij is DIE man, dus waarom zit hij hier nu alleen op een bankje in een park? Waar is het fout gegaan? Hebben ze elkaar nooit gevonden, zijn ze elkaar kwijt geraakt of is ze er niet meer? Een pulletje springt op de bank en duikt met een enorme vaart op de zak met oud brood af. Johan lacht en schud zijn hoofd alsof zijn kleinzoon net beweert dat hij geen chocolade gesnoept heeft terwijl zijn gezicht onder de bruine vlekken zit. Hij lacht alsof zijn vrouw toch op de ladder is gaan staan om de fotoboeken van zolder te halen terwijl hij had beloofd dat te doen. Hij lacht alsof hij het vriendje van zijn dochter net de “als je mijn meisje pijn doet”-speech heeft gegeven en die nu schichtig achter zich kijkt terwijl ze om de hoek van de straat verdwijnen. Hij lacht en ik voel een steek van jaloezie. Johan kan domweg genieten van het voeren van de eendjes. Johan is gelukkig met waar hij is in zijn leven, alleen of niet. Johan kijkt me aan en glimlacht, hij tikt met zijn vingertoppen tegen zijn slaap bij wijze van een groet en ik zwaai terug.

Vroeger werd ik blij van de verhalen die ik verzon, verhalen over pratende honden en zwaardvechtende prinsessen. Nu is het een stuk deprimerender, mijn personages zijn geen helden maar gewone mensen die me laten zien wat ik allemaal niet doe en kan. Als ik het park verlaat om tevergeefs te proberen een keer op tijd op een afspraak te zijn kom ik een peuter in een tutu tegen die heldhaftig over een plas springt waarna ze zich omdraait en haar tong uitsteekt. Yes, ik heb mijn drakenslachtende, wolfverslindende, prinsenreddende heldin gevonden! Ik spring ook over de plas en voel me meteen een stuk beter.